Willen in de Supermarkt
In de supermarkt besluit ik vandaag wat fruit te kopen. De laatste dagen heb ik wat ongezond gegeten. Ik wil twee appels en een versgeperste jus. Onderweg wordt mijn aandacht getrokken door een kaasje in de aanbieding. Eigenlijk wil ik het niet kopen omdat het niet gezond is, maar toch verdwijnt de kaas in mijn winkelmandje. Bij de kassa’s aangekomen kies ik voor zelfscan zodat ik muziek kan blijven luisteren. Met mijn spullen vertrek ik daarna naar de bibliotheek. Ik heb zin om te lezen.

Het bovenstaande verhaal is een verzameling van voorkeuren en keuzes. Op basis van deze verzameling volgen een aantal handelingen. Als iemand mij vraagt waarom ik twee appels heb gekocht volstaat een simpel: “Omdat ik dat wil”. Maar wat is het om te willen? En misschien belangrijker: kan ik iets willen?

De tweede vraag kan pas beantwoord worden na beschouwing van de eerste. Op het eerste gezicht voelt het namelijk heel logisch om te denken dat ik iets kan willen. Hoe komen anders de boodschappen in mijn winkelmandje? Maar willen is iets vreemds. In plaats van iets wat we kunnen controleren raken we heel vaak in conflict met onze wil. Ik wil gaan sporten maar ik wil niet naar de sportschool. Ik wil gezond eten maar ik wil ook kaas uit de aanbieding.

De wil motiveert ons om te handelen maar wat motiveert de wil? Deze vraag houdt men al sinds mensenheugenis bezig en is niet van klein belang. Het komt er namelijk op neer of de wil ‘vrij’ is. Als dit zo is dan heb ik in de supermarkt een reeks autonome besluiten genomen die spontaan ontstonden. Bij het betreden van de supermarkt had mijn vrije wil me zomaar naar buiten kunnen laten gaan met een mand vol chips en cola. Gewoon omdat ik mijn wil veranderde.

Als mijn wil niet vrij is stond de inhoud van mijn boodschappenlijst al vast. Als een soort computerprogramma werk ik mijn lijstje af, afgevinkt, volgende taak. Waar ik dacht dat ik ging zelf scannen om lekker muziek te luisteren was er geen alternatief. Ik deed het omdat ik voorbestemd was.

De optie met de vrije wil voelt vertrouwd voor mij terwijl de tweede optie leeg voelt. Als alles vaststaat is er geen rol weggelegd voor de ‘ik’. De ik-persoon volgt dan slechts een patroon van vaste keuzes. Maar het voelt toch of ík de besluiten neem? Aan de andere kant voel ik ook dat mijn wil niet vrij is. Als ik volledig meester ben van mijn wil dan zou ik nooit in conflict komen tussen de dingen die ik wil, dus ergens moet de wil ook meester zijn van mij.

Vrij en Onvrij
Een compromis kan gevonden worden in het zogenaamde ‘compatibalisme’. Dit is het idee dat, zelfs als we geen vrije wil hebben, we toch vrij zijn. Dit betekent dat wij geen macht hebben over de wil. De wil is er gewoon. Wat we wel kunnen doen is besluiten hoe we omgaan met onze wil. Dus toen ik het kaasje zag liggen in de supermarkt droeg mijn wil mij onvermijdelijk op: “Koop deze kaas!”. Ondanks dat ik eigenlijk gezond wilde eten. Deze opdracht had ik kunnen weigeren door de kaas te laten liggen.

Het laten liggen van de kaas staat vreemd genoeg bekend als ‘wilskracht’. Dit terwijl het eigenlijk de kracht is om tegen de wil in te gaan. Aan de andere kant staat ‘wilszwakte’ en dit is niets anders dan altijd blindelings de wil te volgen. Dit leidt tot de paradox van de vrije wil. Namelijk, dat je juist vrij bent als je de wil niet volgt en onvrij bent als je de wil wel volgt. Als ik het kaasje had laten liggen ondanks dat ik het wilde kopen had ik gebruik gemaakt van mijn kleine beetje vrijheid.

Helaas heb ik de kaas gekocht en vraag ik mij nog steeds af of ik niet een beetje vrij kan zijn.

Deel II zal gaan over de gevolgen van geen wilsvrijheid op het gebied van moraliteit en recht. In dat deel zal ik de kaas kopen omdat ik gedetermineerd ben de kaas te kopen. We gaan ook kijken naar de kaasdief die me buiten staat op te wachten omdat hij mijn kaas zal stelen. Dit zijn geen spoilers, het staat immers allemaal al vast.